INTERVIEW VI – PAKHTAKOR

Dit interview verscheen in Voetbal International – feb. 2021

Vanuit het Friese dorpje Goënga trok Pieter Huistra (54) de wereld over. Het voetbal bracht hem naar België, Schotland, Japan, Indonesië, Japan en Slowakije. Momenteel is de oud-international gelukkig in Oezbekistan, maar hij zou ook graag als gerijpte trainer terugkeren naar de bron.
Het was een dik boek, gekregen van zijn ouders: Landen en Volkeren. Pieter Huistra en zijn drie broers konden er geen genoeg van krijgen. ‘We stampten alle feitjes uit ons hoofd en overhoorden elkaar’, weet de achtvoudig international nog. ‘Uiteindelijk kenden we elke vlag en munteenheid. De populatie van elk land zelfs.’ Kortom: de interesse voor de wereld buiten zijn geboortedorp Goënga zat er al vroeg in bij Huistra.
Het voetbal stelde hem in staat de gebieden uit zijn toenmalige lievelingsboek ook echt te verkennen. Als linksbuiten wervelde hij via FC Groningen, BV Veendam en FC Twente naar Glasgow Rangers, Sanfrecce Hiroshima en Lierse SK. Als trainer begon hij pas echt aan een zwerftocht over de wereld. Nu meldt het nog altijd jongensachtige hoofd zich vanuit Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan. Huistra is er al drieënhalf jaar werkzaam. In Nederland werd er weinig van vernomen. De Fries vraagt zelf niet snel om aandacht en heeft weinig lijntjes lopen naar de pers. Maar hij heeft wel degelijk wat te vertellen.


Tot eind vorig jaar werkte Huistra bij de Oezbeekse topclub Pachtakor Tasjkent als assistent van Shota Arveladze. De twee trainers begonnen drie seizoenen geleden met de opdracht nieuw voetbalsucces te brengen naar de katoenstad, na een paar magere jaren. Het duo slaagde glansrijk, met twee landstitels, twee nationale bekers, een competitiebeker en een kwartfinaleplaats in de Aziatische Champions League als oogst. Arveladze, voormalig spits van Ajax en AZ, acht zich nu rijp voor een baan in een grotere competitie. De clubleiding luisterde naar de spelersgroep en liet Huistra promotie maken. Met zijn ploeg bereidde hij zich de afgelopen week in Dubai voor op de start van het nieuwe seizoen, in maart. Vanmiddag kwam hij thuis, in Tasjkent.


TAAL

Met zijn vriendin woont Huistra in een appartement midden in het bosrijke centrum, aan een brede straat met gebouwen in Sovjet-stijl. Gevraagd naar zijn ervaringen in Oezbekistan, antwoordt de cultuurfilosoof voor de voetbaltrainer. ‘Tasjkent is een interessante stad. Vroeger was het de vierde stad van de Sovjet-Unie, een studentenstad. Als hoofdstad van Oezbekistan is Tasjkent volop in ontwikkeling. Alleen al de afgelopen drieënhalf jaar is er enorm veel veranderd. De openheid neemt toe. Vóór de coronacrisis zag je steeds meer buitenlanders, die hierheen kwamen voor zaken of vakantie. Het land heeft veel te bieden. Bergen, woestijnachtige gebieden, de vallei van Fergana. Nadat de Sovjet-Unie uiteen was gevallen, bleef Russisch hier lang de gangbare taal. Maar nu merk je dat het Oezbeeks aan terrein wint, ook op de scholen. De jonge spelers die we hebben, zijn niet goed in Russisch. Die spreken liever Oezbeeks.’
Die taal beheerst Huistra zelf nog niet goed, op de voetbaltermen na. Maar hij kan met al zijn spelers een gesprek voeren. Naast het Nederlands spreekt hij inmiddels vlot Engels, Duits, Japans en Russisch. En Fries natuurlijk. ‘We hebben ook een eigen teamtaal ontwikkeld. Met wat andere mensen vreemde woorden zullen vinden, maar waarvan wij als trainers en spelers precies weten wat ze betekenen.’ Voorbeeldje? Huistra lacht. ‘Nou, wat dacht je van slow-strangle-press? Dat is een van onze meest gebruikte speelstijlen.’

De zelfbedachte samenstelling duidt op een systeem van langzame verwurging. ‘Die speelwijze heb ik zelf ontwikkeld. We hebben ’m hier de laatste jaren langzaam maar zeker in de praktijk gebracht. Als voorbeeld laat ik de spelers weleens beelden zien van Schotse collies. Van die herdershonden, die dan schapen in een hok drijven. Zo willen wij ook voetballen. Zonder overbodige energie te verspillen, proberen wij tegenstanders een hoek in te duwen. Zonder de bal te hebben, kunnen wij toch het spel bepalen.’

De afgelopen jaren zette hij bij zijn club vooral in op de fysiologische ontwikkeling van zijn spelers. De gemiddelde Oezbeekse voetballer is volgens Huistra klassiek Russisch van bouw: atletisch en stevig. Maar de wendbaarheid en belastbaarheid lieten vaak te wensen over. In samenwerking met het Hongaarse staflid László Jámbor, eerder jarenlang conditietrainer van Ajax, kreeg hij ze fitter. ‘Inmiddels hebben we een eerste elftal dat in de Eredivisie tussen plaats zes en negen zou spelen. Heerenveen, Groningen, Utrecht; dat niveau.’

Huistra is óók een vakidioot. Iemand die alle ontwikkelingen op trainersgebied wil volgen en op een eigen website geregeld verslag doet van zijn bevindingen. Hij was in Nederland een van de eersten die met een iPad in de dug-out zaten. Als beginnend trainer verloor hij zich soms te veel in de inhoud, zegt hij terugblikkend. Niettemin kende hij een vliegende start als hoofdcoach. Na een geen moment saaie periode naast Aad de Mos bij Vitesse en een dienstverband als assistent- en jeugdtrainer bij Ajax, werd hij bij FC Groningen aangesteld als eindverantwoordelijke. In zijn eerste seizoen loodste hij de club naar de vijfde plaats. In de play-offs greep Groningen op legendarische wijze net naast Europees voetbal, door na een 5-1 nederlaag bij ADO Den Haag de return met dezelfde cijfers te winnen, maar vervolgens op strafschoppen alsnog ten onder te gaan. In de zomer vond directeur Hans Nijland het tijd de ambities aan te scherpen.

‘FC Groningen ging de topdrie aanvallen. Dat was niet alleen intern de boodschap, zo werd het ook gezegd in de pers.’ Huistra zegt het nóg met ongeloof in zijn stem. ‘We hadden net onze vier beste spelers verkocht. Op dat moment had ik eigenlijk moeten opstappen.’ Maar Huistra was jong, ambitieus en minder onafhankelijk dan nu. Tot de winterstop hield hij de schade beperkt. ‘We stonden zesde of zevende. Daarna kregen we te maken met de Wet van Murphy. Spelers raakten geblesseerd of werden ziek. Virgil van Dijk belandde op de intensive care na een blindedarmontsteking. Op een gegeven moment speelden we centraal achterin met twee jongens die aan het begin van het seizoen nog niet eens vaste waarden bij Jong FC Groningen waren. Supporters hebben daar geen oog voor. Die waren ontevreden, kwamen verhaal halen. In het ideale geval heb je dan een directie die wél door de resultaten heen kan kijken.’

FC Groningen eindigde als veertiende, Huistra werd ontslagen. Hij hoorde de mededeling van Nijland met ongeloof aan. ‘Een paar maanden eerder had ik mijn contract nog verlengd. Zo’n eerste ontslag komt wel aan. Het is slecht voor je ego, dat verwerken heeft even tijd nodig. Ik begrijp Hans nu wel wat beter. Zijn beslissing was misschien beter voor de seizoenkaartverkoop. Niet voor de continuïteit van de club.’

Na zijn ontslag ging hij in op een aanbieding van het net gedegradeerde De Graafschap. ‘Dat ging vrij snel allemaal. Té snel. Hoewel ik een hele tijd met een goed gevoel heb gewerkt in Doetinchem, was de match niet geweldig.’ Huistra wilde de opportunistische huisstijl van De Superboeren ombuigen naar een iets meer gebalanceerde voetbalvorm. ‘Die opdracht had ik ook meegekregen. Maar de supporters waren het er niet helemaal mee eens. De Graafschap zat ook nog eens in zwaar weer, had financiële perikelen. Slechte timing dus.’

Het winnen van een periodetitel in zijn eerste seizoen was niet genoeg om zijn criticasters te overtuigen. Halverwege zijn tweede jaargang stond De Graafschap zesde en werd Huistra ontslagen, voor de tweede keer in anderhalf jaar. Daarna zocht hij het avontuur. Of, beter: het avontuur zocht hém. Ineens werd hij benaderd door de Indonesische voetbalbond, dat in Nederland zocht naar een technisch directeur. Op het eerste oog was Huistra een verrassende keuze. ‘Maar ik zat wel in allerlei klankbordgroepen. En in het bestuur van de Coaches Betaald Voetbal, met de technische portefeuille. Ik was lid van een scheidsrechtersklankbordgroep bijvoorbeeld. Ik was zo gek in al die groepen te gaan zitten, maar daardoor kreeg ik wel een bredere kijk op het voetbalgebeuren. Dat leek me wel een goede basis om technisch directeur te worden. Dus daar ging ik, naar Jakarta.’

Hij kreeg er snel in de gaten dat hectische werkomstandigheden op De Vijverberg ook maar relatief zijn. ‘Namens de Indonesische bond moest ik de contacten onderhouden met de voetbalbonden van elk van de 34 provincies. Dus ik vloog me suf. Van Atjeh helemaal naar Papoea, acht uur verderop. Het was een boeiende, leerzame tijd. Ook in cultureel en historisch opzicht. In Indonesië stuit je overal op sporen van de Nederlandse geschiedenis.’

Hij was een aantal maanden onderweg en had een stuk of tien provincies bezocht, toen een bestuurlijke soap het Indonesische voetbal en zijn eigen functioneren lamlegde. ‘De bond had een nieuwe voorzitter aangesteld, maar de regering was het niet eens met de keuze. De president kwam met het idee voor een eigen, nieuwe competitie, wat de FIFA weer niet pikte. Er kwam een ban op alle voetbalactiviteiten. Even daarvoor was ik nog aangesteld als interim-bondscoach van Indonesië. Nog voor mijn eerste interland ging de straf in.’

De Fries was de facto werkloos, maar niet voor lang. Huistra werd benaderd vanuit Japan, waar hij halverwege de jaren negentig bij Sanfrecce Hiroshima een Europese pionier op de velden was. Hij keerde er terug als trainer van Iwaki FC. Een kakelverse club, opgericht door sportmerk Under Armour. Het Amerikaanse bedrijf wilde een nieuwe Japanse topclub neerzetten. Aan Huistra de taak, het liefst met wat Nederlands Totaalvoetbal, vanaf het achtste niveau de opmars in te zetten. De vroegere linksbuiten kreeg een soort computerspelletje in handen: bouw je eigen voetbalclub, beginnende vanaf nul. Er was geen selectie, geen stadion, geen kantoor. ‘Een zandveld hadden we, meer niet.’

Huistra formeerde een elftal van voornamelijk high school-voetballers en één buitenlandse aanwinst: doelman, landgenoot en mede-avonturier André Krul. Vergeleken bij Indonesië verliep zijn werk in Japan tamelijk rimpelloos, op wat aardbevingen na. Huistra raakte gewend aan het schudden van zijn bed. Voor de regio waarin Iwaki FC werd opgericht, Fukushima, had zo’n beving in 2011 een kernramp tot gevolg. Huistra zal niet snel vergeten wat hij zag als hij naar buiten keek, de keren dat de spelersbus het toenmalige rampgebied doorkruiste.
‘Een lege vlakte met hier en daar een huis, waar dan nog een auto of een fiets voor de deur staat. Maar in de hele omgeving woont niemand meer.’ Hij bleef één seizoen bij Iwaki. ‘We promoveerden en wonnen de regiobeker, de districtsbeker en de nationale amateurbeker.’ Huistra genoot van de ervaringen, maar vond een jaar als ontwikkelingswerker genoeg. ‘Ik liet de club achter met een professionele filosofie en goede faciliteiten. Iwaki is sindsdien blijven klimmen en zit nu in de laatste halte voor het betaalde voetbal.’

Na een tussenstop in Slowakije bij AS Trencín, waar hij op verzoek van clubeigenaar Tscheu La Ling een paar maanden fungeerde als technisch adviseur, streek hij neer in Oezbekistan. ‘Heel fijne club, mooie groep’, zegt Huistra over Pachtakor Tasjkent. ‘Ik ga elke dag met plezier naar mijn werk.’ Zijn contract als hoofdtrainer loopt tot het einde van dit kalenderjaar. Dat zou voor hem een logisch moment zijn terug te keren naar Nederland. Om daar in de praktijk te brengen wat hij tijdens zijn reizen heeft opgestoken.

‘Ik was eerst echt een trainer die vooral bezig was met techniek, tactiek en fysiek. Inmiddels heb ik ervaren dat het menselijke aspect minstens zo belangrijk is. Het sociale, het kunnen werken met verschillende karakters en culturen. Je kunnen je aanpassen ook, als trainer. Voorheen wilde ik alles vanuit mezelf in een groep gooien. Nu zoek ik veel meer de wisselwerking met spelers. Over tactiek, over omgangsvormen. Per team, per individu kunnen daar andere ideeën over bestaan. Daarvoor moet je open durven staan.’

Hij lacht. ‘In het voetbal krijg je snel een stempeltje, zeker in Nederland. Over mij zeiden ze vaak: “Leuke jongen, maar te bescheiden. Te lief”. En: “Hij moet wat harder worden”. Terwijl het omgekeerde meer waar was. Als assistent bij Vitesse kreeg ik tijdens het Sinterklaasfeest op de club een politiepet van de spelers. Dan weet je het wel. Ik was van de regeltjes. Negen uur is niet twee over negen. Nu sta ik er anders in. Als iemand herhaaldelijk te laat komt, dan ga ik eerst eens het gesprek aan. Iemand helpen, in plaats van gelijk te straffen. Een jonge trainer ziet spelers soms als pionnen, dat had ik zelf ook. Inmiddels werk ik met ménsen.’ Lachje weer: ‘Voor degenen die vonden dat ik harder moest worden, zal het misschien een tikje verwarrend zijn: ik ben onderweg losser en zachter geworden.’

Hij doelt daarbij in eerste instantie op de verhouding met een spelersgroep. Maar ook naar buiten wil hij zich meer ontspannen opstellen dan in zijn eerste trainersjaren, toen hij achter menig boom een vijand zag. ‘Dat spel met de pers moet ik wat beter meespelen. Het mag allemaal best wat gevatter, ja. En soms ook juist meer uitgesproken. Zoals in die tijd bij FC Groningen. Ik zou nu echt wel van me afbijten als de club me met een onhaalbare doelstelling zou opzadelen. Al met al zou ik heel veel dingen anders doen. Dat is ervaring.’

‘Destijds zat ik op één lijn met Erik ten Hag. Twee ambitieuze trainers vol eigen ideeën, we hadden allebei de technische portefeuille bij de CBV. Hij zat bij Go Ahead Eagles, ik bij De Graafschap. Met John van den Brom waren wij van de nieuwe generatie. Ik had in dezelfde flow als die jongens moeten komen, maar blijkbaar was dat pad niet voor mij weggelegd. Na mijn eerste jaar bij FC Groningen kwamen er goeie clubs, ook uit het buitenland. Als trainer moet je weten wanneer je moet in- of opstappen. Wij zijn geen tovenaars. Van een groep met weinig kwaliteit maak je geen kampioensteam. Een trainer kan twintig procent toevoegen, hooguit. Ervaren trainers snappen dat. André Villas-Boas greep pas een akkefietje aan om het hazenpad te kunnen kiezen bij Olympique Marseille. Hij voelde dat er geen eer meer te behalen was. Dat is slim. Zulke jongens behouden hun naam.’

Huistra is tijdens zijn buitenlandse werkzaamheden bevestigd in de veronderstelling dat de Nederlandse voetbalfilosofie zeldzaam toonaangevend en wijdverspreid is. Tot in de jungle van Indonesië voerde hij gesprekken over de visie van Johan Cruijff. Tegelijkertijd zou hij in eigen land graag wat meer ruimte voor vernieuwing zien. ‘Ik betrap Nederlanders die nooit in het buitenland hebben gewerkt toch vaak op een bepaalde bekrompenheid. Zo doen wij het, zo moet het. Wij weten het allemaal beter, dat zie je nou ook tijdens de coronacrisis. Alle Nederlanders hebben de wijsheid in pacht. Dat is een valkuil en een kracht. Enige relativering helpt je verder, denk ik. Daarom zou ik het voor de Eredivisie een verrijking vinden als een club Shota Arveladze haalt. Kun je zo aanstellen in de subtop. Hij kent de Nederlandse voetbalcultuur, maar voegt er een invalshoek aan toe. Shota is bijvoorbeeld heel sterk in groepsprocessen. Georgiërs zijn familiemensen, dat zie je terug in zijn trainersstijl.’

En ja, zo denkt Huistra zelf ook iets te kunnen toevoegen in Nederland. Blijft de kans uit, dan hoeft niemand medelijden met hem te hebben. ‘Ik kan bijna overal gelukkig zijn. Een mens kan zich ook overal heel miserabel voelen. Je moet zelf een omgeving creëren waarin je je lekker voelt. Ik heb trainers meegemaakt die ergens twee of drie jaar werken en daarna niks van een land weten. Dat is voor mij ondenkbaar. Voetbal is één spoor, daarvan kun je nooit genoeg weten. Maar ik hou ook van geschiedenis, van cultuur. Wat gebeurt er in de wereld, en in een land? Wat beweegt de mensen? Vind ik zo interessant. Ik heb zelden genoeg uren in een dag.’

Het reizen heeft hem verrijkt, als trainer en als mens. Huistra stippelde het niet zo uit, zijn pad vormde zich via het toeval. Hoewel: Landen en Volkeren, hij las het boek aan flarden. Het zat er altijd al in. Bij hemzelf, en bij zijn drie broers. Allemaal trokken ze de wijde wereld in. Eentje als eventmanager, eentje als specialist cybersecurity, eentje als ondernemer in de zuivelbranche. En eentje als handelsreiziger in trainingspak. ‘Allemaal de schuld van onze ouders’, klinkt het olijk vanuit Oezbekistan. ‘Ze hadden dat boek nooit moeten kopen. Hadden ze hun kleinkinderen misschien ook wat vaker kunnen zien.’